Barbier is een gevaarlijk vak.

Bovenstaande tekst vond ik in: De Vaeck – Verdryver van de Swaermoedighe Gheesten anno 1620.


" Ieder wellust van sigh jaege
Want hy heeft syn eighen plaghe."


Eenen Barbier die op eene caetsbaen woonde/ ende een man scheren: als hy het scheer–mes op de kele hadde/ guam daer ene bal effen op het scheermes ghevloghen/ ende die heeft den Man den stroot aft sneden. De braghe wie wie den Man soude soenen . Die den bal gheslaghen hadde/ seyde: hadde my den anderen den Bal niet opghegye ben/ isk en hadde hem niet voort geslaghen. D ‘anderseyde hadt ghy hem niet geslaghen/ het ongeluck ware niet ghecomen.  Eyndelijck wierd gebonden/dat de Meester van de Caetsbane sulcks saude boeten.



De kaatsbaan had inderdaad een Kaatsmeester die voor alles zorgde o.a. de netten, ballen en hij hield de boel schoon. Ook meestal aanwezig een klein kroegje voor een hapje en snapje. Met kon daar ook diverse spelletjes spelen, zoals schaken. In deze was dus ook al een kapperszaak.
Bij die laatste kon je dus beter afgesloten zitten.


Amateur Kaatsonderzoeker
Germ Gjaltema – Peins